Wat me tot nu toe het meest is bijgebleven van het rapport van de commissie Jansen over de asbestaffaire in Kanaleneiland is die man van de gemeente die op zondag 22 juli piketdienst had. Toen hij werd gebeld door Mitros met de mededeling dat ze 43 woningen gingen ontruimen, was hij aan het fietsen. Het was die zondag per slot van rekening mooi weer.
Lastig was wel dat hij het telefoonnummer van Openbare Orde en Veiligheid, waar Mitros om vroeg, niet bij de hand had. Ja, het nummer zat wel in zijn telefoon maar daar kon hij nu niet bij want hij was aan het bellen. Mitros moest 112 maar bellen voor dat nummer.
Zo gezegd, zo gedaan. Het gevolg was dat 112 gelijk alle hulpdiensten alarmeerde, want daar kennen ze hun procedures, en het gebied rondom het besmette flatgebouw aan de Stanleylaan liet afzetten. Terwijl op dat moment nog helemaal niet duidelijk was hoe ernstig de asbestbesmetting was.
Meest schokkende conclusie is dat klaarblijkelijk niemand van Mitros of de gemeente Utrecht op die bewuste zondag zijn vinger heeft opgestoken en heeft gezegd: “jongens doe eens rustig, van die paar vlekjes asbest gaat niemand dood.”
Dat lijkt mij dan ook de belangrijkste vraag die bij de behandeling van het asbestrapport in de gemeenteraad beantwoord moet worden: hoe voorkomen we deze hysterie bij de volgende asbestvondst?
Deze vraag wordt volgens mij echter niet beantwoord in de reactie van het college op het rapport van de commissie Jansen. Ja, de crisisorganisatie moet beter en er moet duidelijk voorlichtingsmateriaal komen. Maar wordt dan bij de volgende asbestvondst weer de hele boel ontruimd?
Gelukkig heeft de gemeente wel de piketdiensten 'tegen het licht gehouden'. In het vervolg blijft die mijnheer van de piketdienst gewoon thuis, hoe mooi het weer ook is.
Mario Gibbels