
Klik hier voor een vergrotingDe manier waarop ik m'n kamer vind als ik voor het eerst in Utrecht kom, lijkt uit een streekroman te komen uit de jaren vijftig. Ik ben nog nooit in Utrecht geweest en heb geen idee hoe je aan een kamer kunt komen. Het enige dat me te binnen schiet, is vragen aan mensen in het dorp die gestudeerd hebben. Of misschien kennen ze een collega die in Utrecht contacten heeft. In ons dorp komen alleen de dokter en de dominee daarvoor in aanmerking.
Een Utrechtse collega van onze dominee kent mevrouw Euverman, zij verhuurt kamers. Zo kom ik via de dominee bij een echte gereformeerde hospita. Het leven in de grote stad kan beginnen. De eerste avond ga ik met de jongste dochter van m'n hospita stappen en kom op de dansavond van de COC terecht. Uiteindelijk woon ik drie jaar bij mevrouw Euverman in Oog in Al.
Ze woont in de Bachstraat, in een huis dat groot genoeg is voor haar en haar kinderen. Die zijn ondertussen allemaal uitgevlogen. Na een jaar op de kleine kamer, kom ik op de grote zolderkamer. Ik kan er niet echt koken en mag geen meisjes laten slapen. De andere huisregels ben ik vergeten. Zoals ik langzamerhand steeds meer details vergeet van m'n tijd in de Bachstraat.
Zelden komt ze nog ter sprake of word ik aan mevrouw Euverman herinnerd. Een klein lepeltje uit Michigan, de Wolverinestate, herinnert alleen nog aan haar. Tot mij bij het schrijven van "bomen in de nacht" een opmerking van haar te binnen schiet.
Het verbaast haar altijd hoeveel bomen er in de binnenstad staan. Ze wijst me op een zomerse luchtfoto van de binnenstad van Utrecht, met het toen nieuwe Muziekcentrum en heel veel groen. De foto hangt prominent boven de keukentafel.
De luchtfoto toont veel bomen. Als je bomen van boven ziet zijn ze extra prominent aanwezig. De grachten en singels lijken langgerekte bossen en ook tussen veel huizen staat een enkele grote boom. Zelfs pleinen lijken kleine bossen midden in de stad, vanuit de lucht.
Het groen van de bladeren valt natuurlijk alleen op als we het over een kleurenfoto hebben, die overdag genomen is. In de nacht is alles weer anders, en in de winter natuurlijk helemaal. Zoals ik als student blij was met de kamer van Euverman, zo ben ik als fotograaf blij met de bomen zoals ze zijn. In de zomer goed om lichtbronnen achter te verbergen en in de winter, gebruik ik voor mijn foto's de ruimte tussen de kale takken.
Frans de Jonge